50 jaar Palast der Republik
Over een verdwenen volkspaleis
waar nog steeds discussie over bestaat
Vandaag precies 50 jaar geleden werd in hartje Oost-Berlijn het prestigieuze Palast der Republik geopend. Het gebouw waarin zich onder meer de Volkskammer (het eenkamerparlement van de DDR) bevond, was voornamelijk opgetrokken uit glas en staal (en oké, ook een beetje asbest) en daarmee een monumentaal voorbeeld van het socialistisch laatmodernisme van de jaren zeventig. Met haar strakke lijnen, indrukwekkende omvang en iconische goud- en koperkleurige spiegelgevel belichaamde het Palast der Republik zowel de architectonische ambities als de politieke zelfpresentatie van de DDR. Ik weet zeker dat menig DDR-politicus bij het zien van het gebouw heeft moeten likkebaarden. En als ik eerlijk ben, ik ook een beetje. Wat destijds namelijk gold als futuristische architectuur oogt nu onmiskenbaar retro en wekt bij mij een verlangen op naar het vormgevoel van de jaren zeventig. Het is een decennium dat ik graag zelf had meegemaakt. Niet alleen om haar architectuur en design maar natuurlijk ook om de mode en muziek.
Het Palast der Republik heeft sinds de opening op 23 april 1976 ongeveer 32 jaar op haar grondvesten gestaan. In de jaren na de Wende en de hereniging van Duitsland werd dit markante symbool van de voormalige DDR in Berlijn steeds meer gezien als een ongemakkelijk erfstuk. Waar de DDR het in de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigde Stadtschloss had laten afbreken om plaats te maken voor het Palast, besloot men na lang beraad in de jaren nul uiteindelijk het omgekeerde te doen: het Palast moest wijken voor de herbouw van datzelfde Stadtschloss. Daarmee verdween in 2008 een van de meest prominente gebouwen van de DDR uit het Berlijnse stadsbeeld. Inmiddels prijkt op deze plek een in perfect detail nagebouwd neppaleis.
Een paar jaar geleden bezocht ik in het Humboldt Forum (de naam van het museum dat nu in het herbouwde Stadtschloss is gevestigd) een tentoonstelling over het voormalige Palast der Republik. Ik verkneukelde me bij het zien van alle retrovoorwerpen uit het gebouw: de designstoelen en servetten uit het restaurant waarin het PdR-logo was gestanst en enkele van de ooit zo vele kenmerkende bolvormige lampen die het Palast zijn beroemde bijnaam ‘Erichs Lampenladen’ hadden meegegeven. Het meest indrukwekkende van de tentoonstelling openbaarde zich echter al direct bij binnenkomst: de wanden van de eerste zaal waren volledig bekleed met glanzende goud-koperkleurige platen van karton die de beroemde spiegelgevel van het voormalige gebouw opriepen. In meerdere opzichten was het een fantastisch doordachte binnenkomer, temeer omdat bezoekers de gelegenheid kregen om er met stift hun herinneringen aan en meningen over het Palast der Republik op te schrijven.
Zo zag ik hoe zich in het handschrift van eerdere bezoekers van de huidige tentoonstelling én het voormalige Palast der Republiek een felle discussie had ontvouwd. De een schreef vol trots over hoe het zogenaamde ‘Volkspalast’ toegankelijk was voor alle DDR-burgers en een plek was waar men met elkaar danste, dineerde en concerten bezocht, kortom; waar het volk een stukje collectief leven deelde. Daaronder had een andere bezoeker in veel hoofdletters en uitroeptekens gereageerd dat men vooral niet moest vergeten dat datzelfde ‘Volkspalast’ óók het gebouw was waarin een schijnparlement zetelde dat haar eigen burgers vrijheden ontnam. De (n)ostalgie voor het Palast leek mensen te doen vergeten dat de DDR uiteindelijk ook een daadwerkelijk moorddadig regime was.
Wat er op die wand aan meningen en reacties te lezen viel, was een prachtige illustratie van hoe de discussie over het nalatenschap van een verdwenen staat als de DDR nog altijd niet verstomd is. Hoe ga je om met de tastbare overblijfselen van een land en regime dat bij de een herinneringen oproept aan gemeenschapszin en alledaags leven, maar voor de ander onlosmakelijk verbonden blijft met politieke onderdrukking? Het debat over relieken als het Palast der Republik zal daarom blijven voortduren, ook al bestaat het gebouw nu alleen nog in musea, boeken en collectieve herinnering.