Paleis Lobkowicz
Achter de hekken bij een stukje Duitse geschiedenis in Praag
Vorige week was ik in Praag. We gingen er naar een concert en hadden er een midweekje weg omheen gepland. De keuze om in Praag een concert te bezoeken, was niet eens zo’n gekke want sinds onze verhuizing naar het Oost-Duitse platteland is de Tsjechische hoofdstad ineens heel bereikbaar geworden. Vroeger, vanuit Nederland, was Praag voor mij een verre stad achter het IJzeren Gordijn en een plek die altijd ver weg voelde. Nu ligt die betoverend mooie stad die ik als kind leerde kennen als decor van Amadeus, een van mijn favoriete films, ineens bijna om de hoek. Vanaf onze DDR-boerderij is Praag namelijk nog maar drie uur rijden.
Niet dat we vorige week de snelste route namen, overigens. Omdat ik vind dat de reis deel is van de vakantie en deze me niet lang genoeg kan duren, moest en zou ik de snelweg vermijden. Mijn vriendin stemde ermee in dat we binnendoor reden en zo over B-wegen door de Brandenburgse dorpen, weilanden en bossen naar het zuiden afzakten om het landschap langzaam in steeds meer glooiende vergezichten te zien overgaan. Ik geniet evenzo van de reis als van de bestemming en een veranderend landschap en het bewust passeren van plaatsen en grenzen hoort daarbij. En dat begrijpt zij gelukkig. Op de heenweg tenminste.
Één van de plekken die ik vorige week in Praag het liefst wilde bezoeken, was Paleis Lobkowicz; het prachtige barokke gebouw waar al sinds 1974 de ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland in is gevestigd. Vóór de Duitse hereniging in 1990 betekende dat vanzelfsprekend: de ambassade van West-Duitsland. In die hoedanigheid werd Paleis Lobkowicz in september 1989 wereldnieuws toen duizenden wanhopige Oost-Duitsers er vanuit de DDR naartoe waren gereisd en er hun toevlucht zochten in de hoop dat ze via die weg konden emigreren naar het vrije Westen.
In de nazomer en vroege herfst van wat een historisch jaar zou worden, stonden de communistische regimes in de Oostbloklanden door een steeds luider wordende roep om vrijheid en politieke hervorming hevig onder druk. Reeds in mei had Hongarije als eerste Oostblokland het prikkeldraad van het IJzeren Gordijn letterlijk doorgeknipt en daarmee de deur naar het Westen op een kier gezet. Later die zomer liet de Hongaarse regering honderden Oost-Duitsers die in Hongarije vakantie vierden, via de grens met Oostenrijk naar het Westen vertrekken. Ze hadden er de DDR-regering niet eens over geïnformeerd. Begin september zette Hongarije de grenzen helemaal open.
Omdat de DDR haar eigen grenzen naar het Westen krampachtig gesloten hield in een ultieme poging grip te houden op haar bevolking, besloten duizenden DDR-burgers hun land via de de buurlanden te verlaten. Dat hen aan de grens met Tsjechoslowakije de identiteitspapieren werden afgenomen, bracht hen niet op andere gedachten. Het was slechts een zoveelste teken (en weldra een laatste stuiptrekking) van een regime dat zijn eigen burgers wilde ontmoedigen het land te ontvluchten en hen simpelweg aan hun lot overliet zodra ze dat toch deden. Zo stroomden in september 1989 de West-Duitse ambassades in Warschau en Praag vol.
Hier in Praag klommen de mensen massaal over de hekken rond het terrein van Paleis Lobkowicz en zochten hun toevlucht in het gebouw van de ambassade en in de tuin eromheen. Ze zouden er wekenlang in steeds slechter wordende omstandigheden bivakkeren in de hoop door de West-Duitse regering te worden toegelaten tot de Bondsrepubliek.
Vorige week stonden we bij datzelfde hek aan de achterkant van het gebouw. We bereikten het via een smalle doorgang over een onverhard zandpad. Het had iets weg van de rand van een park waar niemand wat te zoeken, enkel wat weg te gooien heeft. Het was er schmutzig. Achter het hek, dus in de tuin, stond een informatiebord met tekst en foto’s, gericht naar het park. Het was vies van de groene aanslag. Op één van de foto’s was te zien hoe op deze plek in 1989 wanhopige Oost-Duitse mannen, vrouwen en kinderen over het hek heen klommen. Door de spijlen van het datzelfde hek zagen we nu hoe in de tuin grote witte partytenten werden opgezet en mensen met statafels sjouwden. Daartussen stond David Černý’s kunstwerk Quo Vadis?: een Oost-Duitse Trabant met vier benen op de plek waar normaal de wielen zitten. De titel verwijst naar de Bijbelse uitdrukking ‘Quo Vadis?’ (Latijn voor ‘Waar ga je heen?’) de vraag die de apostel Petrus stelt aan Jezus nadat deze uit zijn graf is herrezen. Voor de DDR-vluchtelingen die hier op eigen kracht naartoe waren gekomen, was dat geen symbolische vraag meer, maar een existentieel dilemma. De toekomst en de weg er naartoe waren ongewis, maar ze wisten één ding zeker: ze wilden en konden niet terug naar het land en leven dat ze zo desperaat hadden achtergelaten.
Terwijl de ruim vierduizend DDR-vluchtelingen hier in september 1989 wekenlang in afwachting waren van hun lot, onderhandelde de West-Duitse minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher (die in 1952 overigens zelf vanuit de DDR via West-Berlijn naar West-Duitsland was gevlucht) op een congres van de Verenigde Naties in New York met zijn collega-ministers uit de DDR, de Sovjet-Unie, Polen en Tsjechoslowakije over de mogelijkheid om de vluchtelingen op te nemen in de Bondsrepubliek.
Op 30 september 1989 arriveerde Genscher uiteindelijk en onder grote belangstelling bij de ambassade in Praag. Die avond trad hij bij kunstlicht naar voren op het balkon aan de achterkant van Paleis Lobkowicz en maakte hij de uitkomst van de onderhandelingen bekend:
“Wir sind zu Ihnen gekommen, um Ihnen mitzuteilen, dass heute Ihre Ausreise möglich geworden ist.”
Zijn woorden werden ontvangen door een menigte die uitzinnig was van vreugde. Het gejuich was zó luid dat de laatste drie woorden erin verloren gingen. Vandaag staat het volledige citaat op een Gedenktafel, precies daar waar Genscher het destijds uitsprak. Ik heb de gedenksteen vorige week niet kunnen zien, maar hoop dat een volgende keer bij een rondleiding in en rond de Duitse ambassade wél te kunnen. Dan hoop ik natuurlijk ook de tuin te mogen betreden en de Trabant op benen van dichtbij te kunnen aanschouwen.
Tijdens dit bezoek aan Praag bleef ik enkel aan de buitenkant van de geschiedenis staan toen ik vanachter de historische hekken uitkeek op Paleis Lobkowicz en de tuin, waar op dat moment dus grote witte partytenten werden opgezet, ditmaal voor een evenement. Ik glimlachte om de gelijkenis met de witte tenten die daar in 1989 voor de DDR-vluchtelingen hadden gestaan en legde in mijn hoofd de beelden van toen en nu over elkaar heen.